Haagsche Courant
Artikel uit Haagsche Courant van 06-12-2002

Onzichtbaar in de Grote Wereld

door Roos van Put


Isaac Israels in de mode. Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Te zien van 7 december t/m 9 maart. Bij de tentoonstelling verschijnt het boek 'Isaac Israels, mannequins en mode', door Hans te Nijenhuis en Ietse Meij. Tijdens de tentoonstelling. Ook: www.gemeentemuseum.nl.

Isaac Israels huurde in 1893 een kamer tegenover de elektrisch verlichte hoedenwinkel van Mars in Amsterdam om het vrolijke schouwspel van kleuren en stoffen op papier en doek vast te leggen. Het is de gevierde portrettiste Thérèse Schwartze die hem bij het mondaine modehuis Hirsch introduceert. Israels dringt door tot in de ateliers en paskamers om zowel de Grote Wereld van het geld als de noeste arbeid te tekenen.

Foto's: Links: 'Modeshow bij Hirsch' (1910/11). Olieverf op doek, rechts: Isaac Israels. 'Zelfportret met schetsboekje' (1890/92), pen op papier. collectie Haags Gemeentemuseum en particuliere collectie.

Hij hield van mooie vrouwen. Dat kan bijna niet anders wanneer je de tekeningen en schilderijen van Isaac Israels (1865-1934) bekijkt. De ene schoonheid na de andere verschijnt in zijn werk. Eveneens niet onbelangrijk; vrouwen gezegend met een fraai uiterlijk waren ook zeer gesteld op de onderzoekende en bewonderende blikken van de schilder. Het doek 'Twee meisjes' (1906/09) laat zien hoe de dames parmantig en zelfverzekerd langs de kunstenaar wandelen, terwijl ze net doen of ze hem niet zien. Maar de richting van de ogen en de lichaamstaal toont subtiel dat ze deze heer wel degelijk opmerken. Het is dan ook voorstelbaar dat ze nét even wat gracieuzer bewegen wanneer ze hem passeren.
Een ander voorbeeld is de tekening waar één van de twee lopende vrouwen zelfs een schalkse blik op de tekenaar werpt (1902/04). Zo'n ondeugende actie kon op succes rekenen, want op een enkele tekening is soms zelfs het adres van een dame te lezen. Israels was klaarblijkelijk brutaal genoeg het niet bij tekenen alleen te laten. Toch moet hij een integere man zijn geweest die zichzelf op gepaste momenten onzichtbaar kon maken, want de positie die hij innam bij de modehuizen Hirsch en Paquin, mag uniek genoemd worden: hij kreeg toestemming in de kleedruimten de mannequins en rijke cliëntèle te portretteren.
Onder de titel 'Isaac Israels in de mode' toont het Haags Gemeentemuseum een beeld van de wereld van de haute couture rond 1900, een feeërieke omgeving waarin weelde en luxe alsmede verwende rijke dames harmonieus bestaan naast de hardwerkende, arme naaisters. Een hiërarchische wereld ook, waar een verkoopster hoger in aanzien stond dan een naaister. Een pasdames (essayeuse) is in stemmig zwart gekleed, ze mag natuurlijk nooit mooier zijn of door kleding meer de aandacht trekken dan de klant die voor vele duizenden guldens een avondtoilet uitzoekt.
De tentoonstelling bestaat niet alleen uit kunstwerken van Israels maar ook uit kledingstukken – onder meer uit de collectie van het Gemeentemuseum zelf als ook bruiklenen uit Brussel en Parijs – foto's, prenten, schetsen en tot slot documenten van het modehuis Hirsch. Veel is afkomstig uit het privé-archief van één van de nazaten. Want Pierre Hirsch, wonende te Brussel, heeft als een gepassioneerd amateur-historicus alles wat met zijn familiegeschiedenis heeft te maken, secuur verzameld. In de tentoonstelling zijn dan ook foto's te vinden die niet eerder aan het publiek werden getoond.
Samensteller van de tentoonstelling en één van de auteurs van de begeleidende publicatie Hans te Nijenhuis is ruim zes jaar bezig geweest het werk van Israels in relatie tot de modehuizen Hirsch en Paquin en alles wat daarmee samenhangt, boven water te krijgen. "Op de tentoonstelling worden ook particuliere bruiklenen – schilderijen – geëxposeerd die nog nooit buiten het privé-huis van de eigenaar zijn gekomen", aldus Hans te Nijenhuis. "Ook zie je in de nagebouwde Hirsch-etalage, die een kopie op reëel formaat is, naast mode, stoelen uit het Hirschbezit. Deze zijn echt gebruikt."

Afstand

Isaac Lazarus Israels is de zoon van Haagse School-coryfee Jozef Israels (1824-1911). Waar zijn vader onder meer stemmige strandgezichten en landschappen tot onderwerp van zijn kunst neemt, komen in het oeuvre van Isaac Israels het mondaine strandleven, figuren op straat en in parken alsmede portretten voor. "Het werk van zijn vader had een realistische inslag, met een bepaalde sentimentele ondertoon", vertelt conservator John Sillevis, specialist in die periode en regisseur van de tentoonstelling.
"Zoon Isaac heeft daarvan afstand genomen. De mode in zijn kunstwerken kun je zien als een metafoor voor het leven van de grote wereld. De Haagse School rook naar Scheveningen, Isaac zocht meer de metropolen als Parijs en Amsterdam op. Hij stapte uit die bravigheid. Hij hoefde overigens ook niet te leven van de verkoop van zijn kunst, omdat bij het overlijden van zijn succesvolle vader nogal wat geld vrij kwam.
Isaac wilde ook het gevoel van de actualiteit volgen, hij had een liefde voor kleur, zelfs in schilderijen waar een witte japon prominent is, ontdek je veel nuances. Hij wordt ook wel gezien als dé Nederlandse impressionist. Ook in tijden toen het woord 'impressionisme' eigenlijk écht niet meer kon, ging hij gewoon op dezelfde voet verder. Hij had zijn eigen stijl gevonden en ging daar in door. Hij was een man met een scherpe geest die veel tentoonstellingen bezocht en hij zag veel van de wereld".
Isaac Israels maakte talloze reizen en woonde in Parijs, Londen en Amsterdam. Hij genoot van het leven dat hij leidde, verkeerde in kunstminnende kringen waar schrijvers, schilders, beeldhouwers en kunstliefhebbers elkaar met regelmaat ontmoetten.
Zodoende raakte Israels goed bevriend met Thérèse Schwartze, gevierd portretkunstenares, die als jong meisje al op het atelier van zijn vader te vinden was. Thérèse verkeert in de wereld van de high society – ze schildert in 1910 zelfs het babyportret van prinses Juliana – en houdt zelf van luxe en mooie dingen. Ze deinst er niet voor terug haar opdrachtgeefsters mee te nemen naar Hirsch & Cie aan het Leidseplein en ze aldaar naar haar eigen smaak in nieuwe kleding te steken, alvorens ze te schilderen. Op die manier kon ze zelfs van de lelijkste vrouwen een flatteuze verschijning maken, wist ze.
Het laat zich raden dat de directie van Hirsch de chique kunstenares koesterde. En het is op haar voorspraak dat Isaac Israels toestemming krijgt in de ateliers en paskamers van het Amsterdamse modehuis te tekenen en schilderen. Later opent het de weg naar soortgelijke activiteiten in Parijs bij Drecoll (waar Hirsch eigenaar van is) en bij Paquin. Vanzelfsprekend mag Israels pas kort voor de presentaties van nieuwe collecties aan de slag, omdat anders de concurrentie wel eens te weten zou kunnen komen wat de nieuwe mode zou worden en – ook toen al – aan het kopiëren zou slaan.
Als één van de 'happy few' kon Isaac Israels aanwezig in de luxueuze wereld waar vrouwen van puisant rijke ondernemers en echtgenotes van planters uit Nederlands-Indië hun kleding op maat lieten maken. In die tijd trok je niet een ensemble uit een rek, je wandelde bij Hirsch naar binnen en de mannequins showden in een aparte ruimte - grote paskamers - de kleding. Waarna alles voor jou op maat werd gemaakt. Bovendien had zo'n modehuis een lichtkamertje, waar je je creatie kon zien bij kunstlicht.
Israels toont zichzelf keurende dames die keurig stil staan wanneer de essayeuses een mantel op maat maken. Hij laat de knielende naaisters zien en de chique dame die het zich allemaal met veel geduld laat welgevallen, terwijl ze zichzelf tevreden in de spiegel bekijkt. Vaste klant bij Hirsch was destijds ook het Nederlandse koningshuis.
Modehuis Hirsch werd opgericht door Leo Hirsch (1842-1906) in Brussel. In 1882 wordt een filiaal in Amsterdam aan het Leidse Plein geopend. De verkoopsters spreken Frans. Hirsch is omvangrijk, er werken op een goed moment ruim vierhonderd werknemers. Hirsch had alle denkbare verschillende specialismen in huis. Het modehuis heeft onder andere een broderieatelier, een hoedenatelier, een korsettenatelier, een atelier voor japonnen, een bontatelier waar blauwvossen en sabelbont liggen te wachten om in een flitsende creatie te eindigen rond het welgevormde lijf van een gefortuneerde dame.
Grappig detail is dat op een schilderij degene die de jurk betaalt, de heer des huizes, nauwelijks zichtbaar is. Hij bevindt zich op de achtergrond. Maar dat hij geld moet hebben, blijkt uit de bedragen die destijds voor een hermelijnen manteltje werden betaald. Volgens Hans te Nijenhuis was dat maar liefst vijftienduizend gulden.
Saillante anekdotes zijn vanzelfsprekend die waarin een man de ene dag met zijn vrouw Hirsch bezoekt om enige dagen later met zijn maîtresse opnieuw het modehuis met een bezoek te vereren. Kortom, bij Hirsch moest je zijn als je geld had te besteden en wanneer je aanzien genoot. Discretie heerste binnenshuis, namen van cliënten werden niet bekend gemaakt, zo werd over dergelijke voorvallen ook gezwegen. Zelfs nu nog – een eeuw later – zwijgt Pierre Hirsch minzaam als het om namen van beroemde klanten uit die tijd gaat. "Daar praten wij niet over."

Karakter

Israels toont niet alleen die luxe en decadente kant, hij schildert met evenveel liefde de minder bedeelden die bij Hirsch in huis zijn, zoals de naaisters. Op een schilderij is te zien hoe zij in het hoedenatelier eerst bij elkaar een hoed opzetten om de vorm te bekijken. Een ander tot de verbeelding sprekend schilderij is die waarin zes naaisters aan één jurk werken. Opvallend is hier de concentratie die uit de lichaamstaal spreekt. Dat is iets waarin Israels uitblinkt, hij is altijd in staat om in een gezichtsuitdrukking of in de houding van het lichaam een gemoedstoestand of een karakter uit te drukken. Zo zien de Parisiennes er bijvoorbeeld net wat arroganter uit dan andere dames en dat ligt níet aan de kleding.
Waar Isaac Israels niet zo in uitblinkt is het schilderen van handen. Dit laat zich ontdekken in de serie werken waarin de tweeling Ippy en Gertie figureren (in werkelijkheid waren hun namen Helena en Geertruida Wehmann). Deze dames waren op hun zestiende al mannequin in Londen, zowel veelgevraagd in de modewereld als de favoriete modellen van Isaac Israels. Of de kunstenaar ze nu leunend tegen een wand, zittend of staand schildert, altijd moffelt hij de handen weg. En als hij er niet om heen kan ze te schilderen, zie je een paar onhandige streken die op vingers moeten lijken.
Maar ook in deze schilderijen valt iets op dat kenmerkend voor de kunstenaar is: wanneer hij op een bankje in het park van de Tuilerieën in Parijs wandelende dames uit de modewereld tekent (midinettes en modistes), als hij chique dames die dure kleren passen portretteert of als hij zijn favoriete modellen Ippy en Gertie voor de eeuwigheid vastlegt, altijd is de liefde voor zijn onderwerp, voor de vrouw die zich bewust is van haar schoonheid of voor de vrouw die opgaat in haar werk, voelbaar. Dan mogen de handen best wel nergens naar lijken.


verzend  |  print  |  abonneren op Haagsche Courant
Haagsche Courant | 04-10-2004 | Voorpagina
Copyright © 2004 Haagsche Courant - alle rechten voorbehouden

 
Copyright © 2004 Haagsche Courant - alle rechten voorbehouden